Dag 21: mooie vooruitzichten

Het zou geen avontuur zijn als er niets misliep zei een collega me een tijdje geleden. Een uitspraak die vandaag bewaarheid werd. En dan nog, alles is op te lossen. Vooral een kleine tegenslag achteraf bekeken.


6 uur ‘s ochtends, ik heb best ok geslapen ondanks de lattenbodem gemaakt van hetzelfde materiaal als waar ze in België traptreden mee maken en een matras zo stevig als een flensdeken (gelukkig zonder de jeuk).

Ik ga naar het servicegebouw en voel aan de was, nog bijna net zo nat als gisteren. Kan ook moeilijk anders in een niet verwarmde ruimte die even klam aanvoelt als dat het buiten is.

Ik gris een t-shirt van de waslijn en ga ermee naar mijn hut. De verwarming volle bak en de twee kookplaten op 6. In geen tijd is het zo heet als een sauna in de hut. Het t-shirt hang ik aan de gordijnrail boven de verwarming. Mijn planning zegt dat ik om 8u moet vertrekken en ik moet nog opwassen. Rap met de doek erdoor is goed, zei de eigenares gisteren. Ik begin alles in te pakken en zoek ook al het bagagenet onderin een van mijn bakken. In Schotland had ik namelijk ook last van natte was en deze heb ik toen al rijdend kunnen drogen. Hier gaat het echter om meer dan 2 t-shirten. Zowat alles is gewassen maar niet droog. Aan mijn bagagetas zijn lussen, daar rijg ik mijn, niet boven de kookplaat gedroogde, onderbroeken door en ook mijn sokken. Mijn onderlijfjes en t-shirts gaan losjes in het bagagenet dat ik over mijn topkoffer span. In het Engels zeggen ze al eens: the best layed plans of mice and men often go awry. En dat zou blijken.

Het is intussen 7u20 en wat verderop op de camping weerklinkt vrolijk gekir van de enige baby op de camping die aan de dag wil beginnen. Je hebt op menig camping wel een moedig gezin die in een veel te kleine tent of omgebouwde bestelwagen graag de ongemakken van een baby’tje erbij nemen omwille van de romantiek van het kamperen. Bewonderenswaardig maar niks voor mij denk ik.

Ik poets de boel en haal net mijn doel om te vertrekken om 8u, maar niet voor ik de Zweed die gisterenavond laat nog aankwam met de motor vaarwel zeg.

Ik ben op weg naar mijn eerste geplande stop, Latefossen. Nog voor Odda krijg ik al 2 tunnels om u tegen te zeggen voor de kiezen, eentje van 10 kilometer gevolgd door eentje van 11 kilometer lang. Ze zijn allebei zo vochtig als iets. Is niet goed voor de was denk ik maar de weg is nog lang. Als ik maar voor wind zorg door te rijden komt dat goed. Tussen het tunnelrijden door stop ik nog even voor een watervalletje en een mooi spiegelbeeld in het water.

In Odda aangekomen lijkt het daar pas geregend te hebben en vind ik het tijd voor een koffie en een knabbel dus stop ik aan een benzinestation. De koffie drink ik snel uit en de knabbel is voor aan de eerste waterval terwijl ik mij de ogen uitkijk.

Niet ver na Odda zie ik ineens de verkeerschaos waar ik naar op zoek was. Het gevecht om parking aan de waterval. Ik zie mensen uit hun auto springen om een pas vrijgekomen plekje te gaan beschermen met hun lichaam terwijl die uit de andere richting komen druk gesticulerend teken doen dat zij die plek eerder gezien hadden.

Maar … voor een motor is er altijd een plekje. Net als ik me geparkeerd heb rijdt de auto rechts van mij weg. Plaats genoeg voor een andere auto maar niet voor een camper bestuurd door een gepensioneerde zo blijkt. Zijn vrouw stapt uit en vraagt me vriendelijk of ik een beetje kan opschuiven. Dat wil ik wel waarvoor ze mij na het parkeren hartelijk bedankt.

De Latefossen site is zo toeristisch mogelijk uitgemolken als dat er plaats voor is. Tegenover de parking, knal in het zicht op de watervallen is er een souvenirwinkeltje waar men vooral veel verkoopt wat niets met de watervallen te maken heeft ma soit. Ik smikkel in volle bewondering de zoetigheid op die ik niet aan het tankstation heb binnengewerkt.

Het wordt er verkeers- en parkeergewijs alleen maar gekker en ik maak me uit de voeten. Op naar de Flesefossen, eentje die ik als optioneel had aangevinkt omdat je een stukje weg moet rijden van de rest van de Ryfylke route. Ik heb besloten hem toch te doen. De Latefossen was trouwens mijn laatste stop op de Hardanger route die ik gisteren begonnen ben te rijden.

Op weg naar de Flesefossen gaat het vlotjes, weinig verkeer maar wel veel bochten die rond rotswanden kronkelen en waar je dus niet ziet wat er op je afkomt. Opeens haal ik 2 Duitse campers bij. De eerste voor mij ziet mij precies tijdig afkomen en gaat op een passagepunt even aan de kant en geeft met zijn rechterknipperlicht aan dat ik voorbij kan. Een sympathiek gebaar dat ik beantwoord met een omhooggestoken duim. De eigenaar van de camper voor degene die ik net heb ingehaald is eerder van het principe: de weg is van mij, van de eerste tot de laatste centimeter. Na een kilometer of wat zie ik op de gps dat er 100 meter voor de brug na een scherpe rechtse bocht nog een paadje is. Hmmmz, dat ziet er interessant uit. En jawel hoor, blijkbaar hebben ze de oude brug niet weggehaald, enkel de toegang voor 4 wielers onmogelijk gemaakt en er staat geen bordje dat het verboden is voor motorrijders… Zijt maar zeker dat ik erover gevlogen ben en een heel stuk voor die Duitser ben uitgekomen :).

Niet veel verder stop ik aan de Flesefossen, minder indrukwekkend als de vorige maar de parking is wel leuker aangekleed en er is geen chaos.

Een vriendelijke knik naar een Nederlandse motorrijder en ik ben weer op weg. Naar de Allmannajuvet gaat het nu maar daarvoor moet ik de FV520 op. Ten tijde van routeplanning werd er online geopperd dat deze wel eens voor een stuk gesloten zou kunnen zijn en dat je moest omrijden. Die alternatieve route in mijn gps heb ik dus niet nodig gehad.

Ik kan wel begrijpen waarom die eventueel gesloten zou zijn. Het eerst stuk ervan is een van de gevaarlijkste geasfalteerde stukken die ik deze trip al gereden heb. Supersmalle wegen met happen uit, ik moest direct aan het noorden van Schotland denken. Weinig bescherming tegen het in een ravijn rijden en kansen genoeg om het te doen.

Na een tijdje worden zowel de weg als de uitzichten veel beter en doe ik ook wat stops om een en ander vast te leggen. Het afzien meer dan waard vond ik.

Op een van die stops hoor ik veebellen maar ik zie niet direct vanwaar het geluid komt. Na lang turen in de richting vanwaar het geluid lijkt te komen zie ik op onverwachte hoogte schapen grazen. Hieronder is trouwens dezelfde foto als de middelste in de eerste rij van de reeks hierboven, enkel veeeeeeel verder ingezoomd.

Zoals ik al aangaf, de staat van de weg werd beter maar er kwam ook een doorlopende betonnen vangrail en het zicht op de weg voor me werd beter. Er kon weer tempo gemaakt worden en rond 12u kom ik aan op Allmannajuvet, een oude zinkmijn waar ze nu iets educatief, sportief en licht culinair rond verzonnen hebben.

Laat me de chronologie respecteren en eerst het culinaire bespreken. Het aanhorige café is een gebouw in de stijl van de rest van de site, ontworpen door een Zwitserse architect. Er staat niet veel op de kaart maar ik zie dat ze ‘dagen’ serveren. Een dagmenu dus. Vandaag is het een lamsstoofpotje. Doe er mij maar eentje zeg ik. Lang geleden dat ik nog zo’n lekker stoofpotje gegeten heb met zo’n uitzicht.

Vervolgens het educatieve deel. Een rondleiding van meer dan een uur zie ik niet zitten dus ga ik zelf naar het exhibitiegebouw. Veel stelt het vanbinnen niet voor qua inhoud maar het is wel knap neergezet.

En het sportieve, namelijk de hike die vertrekt en aankomt aan deze site, heb ik overgeslagen. Places to go, things to see weet je wel.

De motor en ik, we maken vaart. Genoeg vaart om de was al een klein beetje droger te hebben gemaakt ondanks dat we nog niet veel zonlicht hebben gezien en op Allamannajuvet door de mist zijn gereden. We staan op een wip in Ropeid. Het lijkt erop dat dit vroeger een ferrykaai was waar men nu een leuk plekje van gemaakt heeft gezellig samen te komen, en dat doet men ook.

Na Ropeid is Ostateidn aan de beurt. Eigenlijk niet meer dan een rustplaats waar je met wat moeite een stuk kan zien van het fjord en de brug waar ik erna over moet. Ik kijk even in de app en jawel hoor, alles groen, je mag hier vliegen.

Na de brug gaat het naar Lovra, stijl omhoog. Ik hang al snel achter een Tesla die achter een bandenkraan hangt die met moeite de helling omhoog raakt. De Tesla ben ik snel voorbij en de attente kraanman laat me iets verder ook passeren. Niks spannend tot ik een tunnel induik die halverwege een knik van 90° maakt en waar geen licht is. Reflectoren aan de kant zou ook wel tof geweest zijn maar die waren precies ook op. Balkdonker en de beslissende factor om misschien toch maar te investeren in Denali verstralers.

Het hoogtepunt van het viewpoint was trouwens het plasje dat ik daar heb kunnen doen. Ik zou er niet meer voor omrijden om eerlijk te zijn.

En nu heb je gelijk als je zegt: Maarten, gij se verwend nest. Dat is toch een mooie lokatie. Dat klopt maar na een aantal weken in Noorwegen heb je al heel wat fjorden gezien en ben je nu eenmaal verwend. Het doet me nog wel wat maar ik ben niet zo rap meer onder de indruk merk ik bij mezelf.

Vanaf Lovra rij ik naar de ferry in Nesvik en ik moet eerlijk zijn. Ik heb niet naar het schema gekeken van de ferry vandaag. Onderweg ernaartoe hang ik achter een zwarte ID4 van Volkswagen. Hij rijdt aan een normale snelheid zullen we even zeggen. Wanneer we echter een sliert van auto’s kruisen zet hij aan. Owla denk ik, dat is een sliert die net van de ferry komt. We zitten wel nog op een aantal kilometer van die ferrykaai en als die ons nu al tegemoet komen gaan we royaal te laat zijn.

Als een goede volger trek ik mee aan en volg de ID4. Ik wil hem niet te fel opjagen dus ga ik niet voorbij. We komen stipt om 15u20 aan de ferrykaai aan en er staat nog een rij auto’s maar geen ferry. Ik stop langs de kerel en vraag hem of dit de juiste overzet is en verontschuldig mij voor het geval ik hem nerveus had gemaakt door zo te volgen. Hij geeft toe dat ie goed doorgeduwd had omdat hij dacht dat de ferry om 15u20 ging maar dat zijn vrouw net voordat ze zich in de rij zetten had gezien dat die vandaag pas om 15u40 vertrok. Voor niks gehaast maar het was wel plezant :).

De ferry doet er 15 minuutjes over om ons naar Hjelmeland te brengen.

De was is intussen ver droog en ik geef mezelf, voortijdig, een speekmedaille. Op weg naar Forsand, waar ik overnacht, kom ik langs de tunnel naar Stavanger. Een monster van dik 14 kilometer lang met als diepste punt 293 meter. Ik moet hem niet nemen en ben er ook niet rouwig om. Ik rij door richting Forsand en heb nog 1 stop voorzien, die aan Hollesli viewpoint, die ik nooit zal maken. Ik stop wel nog eerst even voor een flesje drinken bij een tankstation en zie deze partybus staat waar net 5 euforische jongemannen uitklimmen.

Ik moet doordoen want in de verte zie ik namelijk al wolken hangen maar er zijn nog geen regenvlagen in zicht. Een paar druppeltjes, meer krijg ik voorlopig niet op mijn vizier. Als het dat maar is hoef ik niet meer te stoppen denk ik. Gaat goed zo, totdat ik de laatste tunnel voor Hollesli en dus Forsand doorrij. Voor de tunnel stopt het gedruppel en ik maak een overwinningsvuist, yes. Ik nader het einde van de tunnel en een gordijn van water komt in beeld, neeeeeee. Stoppen in een tunnel mag niet zomaar en veilig is het ook niet met het busje achter mij dus ik moet erdoor. In geen tijd ben ik nat tot op mijn t-shirt want de waterdichte laag zit netjes opgerold in een zijtas omwille van het warme weer de laatste dagen en het gebrek aan een correcte weersvoorspelling.

Nu ik toch doornat ben kan ik evengoed eerst naar de winkel gaan en ik rij naar de winkel aan de kade waar morgen de ferry vertrekt voor mijn Lysebotncruise. Het meisje van de winkel is net met de kuis bezig en ik maak een verontschuldigend gebaar naar haar, sorry dat ik het weer vuilmaak. Hoe zegt ze? Regent het? Maar een beetje, grap ik.

Ook hier weer geen eieren in een kleine verpakking, net zoals gisteren, enkel per 12/24/48 en ook niet per stuk. Ik leg het spek maar terug dat ik bij een eitje wou bakken en ga op zoek naar wat anders. Ik zie een appetijtelijke entrecote liggen en neem deze mee. Nog wat drinken en chocolade oprapen en afrekenen aan de zelfkassa. Hier hebben ze zelfs helemaal geen bemande kassa meer.

Onderweg naar mijn verblijfplaats besef ik me dat ik vergeten ben een bijgerecht te nemen voor bij die entrecote. Ik verzin wel wat denk ik want terugrijden doe ik niet meer.

Ik draai de inrit op van de paardenfokkerij waar men Ijslanders kweekt, en zoek de eigenaar. Vanonder een half openstaande garagepoort komt veel lawaai en ineens verschijnt er een man. Hij vraagt of ik een kamer zoek. Ja zeg ik maar ik heb al lang geleden gereserveerd. OK, i come back, is het korte antwoord. Hij verdwijnt weer onder zijn garagepoort en komt een minuutje later langs een andere deur buiten. Aan de receptie betaal ik en vraag ik of er een droogkast beschikbaar is aangezien ik niks droogs meer heb. Nee zegt de man, alle kamers met droogkast zijn bezet. Ik vraag of er echt geen andere oplossing is want aan een wasrekje krijg ik mijn kleren niet droog. De man krijgt compassie en zegt, onze eigen droogkast is nog even bezig maar breng me uw kleren en ik steek ze erin. Ik vraag wat het moet kosten maar de man wil er niet van weten. Dat ben ik niet gewend in een land waar ik al geregeld douche-, wasmachine- en droogkastjetons heb moeten kopen. Een paar uur later staat ie met mijn tas met gedroogde kleren aan de deur. Ik dank hem van harte, ik ben nog NOOIT zo blij geweest met droge was.

En wat betreft mijn bijgerecht? Bleek dat ik nog noedels overhad en wel met rundssmaak. Het ziet er niet hoogstaand uit maar na de koude van mij afgedoucht te hebben heeft dit meer dan gesmaakt.

Nu enkel nog de motorkleding droog krijgen maar ik zie het weer helemaal zitten.

Of hoe een tegenslag toch ook weer snel vergeten is.